Grammatica
Grammatica per niveau
Elke les heeft een doel, een korte uitleg, voorbeelden, veelgemaakte fouten en een quiz. Dit is een start van ons lesprogramma, geen officieel CEFR-programma.
Niveau A1
0 van 7 lessen afgerondPersoonlijke voornaamwoorden
Je weet welk woord je gebruikt voor ik, jij, hij, zij, wij, jullie en zij.
De tegenwoordige tijd
Je kunt een regelmatig werkwoord in de tegenwoordige tijd vervoegen.
Basiszinsbouw: het werkwoord op plaats 2
Je zet de persoonsvorm in een gewone zin op de tweede plaats.
Vragen stellen
Je maakt ja/nee-vragen en vragen met een vraagwoord.
De of het?
Je kent de belangrijkste tips voor ‘de’ en ‘het’ en weet dat je veel woorden moet leren.
Ontkennen met niet en geen
Je kiest correct tussen ‘niet’ en ‘geen’.
Basisvoorzetsels van plaats en tijd
Je gebruikt in, op, aan, naar, om en bij in eenvoudige zinnen.
Niveau A2
0 van 4 lessen afgerondDe voltooide tijd (perfectum)
Je maakt het perfectum met hebben of zijn en een voltooid deelwoord.
Scheidbare werkwoorden
Je herkent scheidbare werkwoorden en zet het losse deel op de goede plek.
Modale werkwoorden
Je gebruikt kunnen, willen, moeten, mogen en zullen met een heel werkwoord.
Vergelijken: groter, grootst
Je maakt de vergrotende en overtreffende trap.
Niveau B1
0 van 3 lessen afgerondBijzinnen: het werkwoord naar het eind
Je maakt bijzinnen met omdat, dat, als, wanneer, hoewel en terwijl.
Betrekkelijke bijzinnen: die en dat
Je geeft extra informatie over een persoon of ding met ‘die’ of ‘dat’.
Formeel en informeel taalgebruik
Je kiest de goede toon voor een mail, een gesprek of een bericht.