Persoonlijke voornaamwoorden
🎯 Doel: Je weet welk woord je gebruikt voor ik, jij, hij, zij, wij, jullie en zij.
Uitleg
Een persoonlijk voornaamwoord staat in de plaats van een persoon. Het is vaak het onderwerp van de zin.
Veel woorden hebben een lange (beklemtoonde) en een korte vorm: jij/je, zij/ze, wij/we. In gewone spraak hoor je vaak de korte vorm.
‘U’ is beleefd. Je gebruikt het bijvoorbeeld bij de dokter, de gemeente of iemand die je niet kent.
| Persoon | Lang | Kort |
|---|---|---|
| 1 enkelvoud | ik | – |
| 2 enkelvoud | jij | je |
| 2 beleefd | u | – |
| 3 enkelvoud | hij / zij / het | – / ze / ’t |
| 1 meervoud | wij | we |
| 2 meervoud | jullie | – |
| 3 meervoud | zij | ze |
✅ Goede voorbeelden
- Ik woon in Utrecht.
- Kunt u mij helpen?
- We gaan morgen naar de markt.
- Jullie zijn op tijd.
Veelgemaakte fouten
Jullie is laat.
Jullie zijn laat.
Bij ‘jullie’ hoort de meervoudsvorm van het werkwoord.
Eindquiz
1 / 4Je praat beleefd met de huisarts: … u dat even uitleggen?
Volgende les · A1
De tegenwoordige tijd →