ED

Easy Dutch Hub

A1 – B2 · Nederlands

A1
← Alle grammatica
A1

Vragen stellen

🎯 Doel: Je maakt ja/nee-vragen en vragen met een vraagwoord.

Uitleg

Ja/nee-vraag: het werkwoord staat vooraan. Kom je morgen?

Vraag met een vraagwoord (wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom, hoeveel, welk/welke): eerst het vraagwoord, dan het werkwoord, dan het onderwerp.

Denk aan de regel van ‘jij’: Werk jij? Waar woon je?

✅ Goede voorbeelden

  • Heb je tijd?
  • Waar woon je?
  • Hoe laat begint de les?
  • Welke bus moet ik nemen?

Veelgemaakte fouten

  • Waar jij woont?

    Waar woon jij?

    Na het vraagwoord komt eerst het werkwoord, dan het onderwerp (en ‘jij’ zonder -t).

Eindquiz

1 / 3

Kies de goede vraag.

Volgende les · A1

De of het? →