Vragen stellen
🎯 Doel: Je maakt ja/nee-vragen en vragen met een vraagwoord.
Uitleg
Ja/nee-vraag: het werkwoord staat vooraan. Kom je morgen?
Vraag met een vraagwoord (wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom, hoeveel, welk/welke): eerst het vraagwoord, dan het werkwoord, dan het onderwerp.
Denk aan de regel van ‘jij’: Werk jij? Waar woon je?
✅ Goede voorbeelden
- Heb je tijd?
- Waar woon je?
- Hoe laat begint de les?
- Welke bus moet ik nemen?
Veelgemaakte fouten
Waar jij woont?
Waar woon jij?
Na het vraagwoord komt eerst het werkwoord, dan het onderwerp (en ‘jij’ zonder -t).
Eindquiz
1 / 3Kies de goede vraag.
Volgende les · A1
De of het? →