Basiszinsbouw: het werkwoord op plaats 2
🎯 Doel: Je zet de persoonsvorm in een gewone zin op de tweede plaats.
Uitleg
In een gewone Nederlandse hoofdzin staat de persoonsvorm (het vervoegde werkwoord) op plaats 2.
Plaats 1 is vaak het onderwerp, maar het kan ook een tijd of plaats zijn. Dan komt het onderwerp direct ná het werkwoord.
Een ‘plaats’ kan uit meerdere woorden bestaan: ‘Morgen om negen uur’ is samen plaats 1.
| Plaats 1 | Plaats 2 (pv) | Rest |
|---|---|---|
| Ik | ga | morgen naar Utrecht. |
| Morgen | ga | ik naar Utrecht. |
| Naar Utrecht | ga | ik morgen. |
✅ Goede voorbeelden
- Vandaag werk ik thuis.
- In de winter is het vroeg donker.
- Mijn zus studeert rechten.
Veelgemaakte fouten
Morgen ik ga naar de dokter.
Morgen ga ik naar de dokter.
Het werkwoord moet op plaats 2; het onderwerp schuift naar achteren.
Eindquiz
1 / 3Kies de goede zin.
Volgende les · A1
Vragen stellen →