Ontkennen met niet en geen
🎯 Doel: Je kiest correct tussen ‘niet’ en ‘geen’.
Uitleg
‘Geen’ gebruik je bij een zelfstandig naamwoord met ‘een’ of zonder lidwoord: Ik heb een auto → Ik heb geen auto. Ik drink koffie → Ik drink geen koffie.
‘Niet’ gebruik je in de andere gevallen: bij een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een naam of een woord met ‘de/het/dit/mijn’.
‘Niet’ staat vaak aan het eind of vóór het deel dat je ontkent: Ik werk vandaag niet. Het is niet duur.
✅ Goede voorbeelden
- Ik heb geen tijd.
- Ik ken hem niet.
- Dat is niet mijn fiets.
- Er zijn geen kaartjes meer.
Veelgemaakte fouten
Ik heb niet een auto.
Ik heb geen auto.
‘Niet een’ wordt ‘geen’.
Het huis is geen groot.
Het huis is niet groot.
Bij een bijvoeglijk naamwoord gebruik je ‘niet’.
Eindquiz
1 / 4Ik spreek … Duits.
Volgende les · A1
Basisvoorzetsels van plaats en tijd →