De tegenwoordige tijd
🎯 Doel: Je kunt een regelmatig werkwoord in de tegenwoordige tijd vervoegen.
Uitleg
Je begint met de stam: het hele werkwoord min -en. Werken → werk.
Ik = stam. Jij, u, hij, zij, het = stam + t. Wij, jullie, zij = het hele werkwoord.
Let op: komt ‘jij’ of ‘je’ ná het werkwoord (in een vraag), dan valt de -t weg: Werk jij vandaag?
Spelling: soms verandert de stam. Maken → maak (lange klank blijft), zitten → zit (geen dubbele medeklinker aan het eind), leven → leef (v wordt f).
| werken | maken | |
|---|---|---|
| ik | werk | maak |
| jij / u / hij / zij | werkt | maakt |
| wij / jullie / zij | werken | maken |
💡 Onregelmatige werkwoorden zoals zijn, hebben, kunnen en willen leer je apart.
✅ Goede voorbeelden
- Ik werk in een ziekenhuis.
- Zij woont in Amsterdam.
- Woon jij hier al lang?
- Wij maken het eten.
Veelgemaakte fouten
Werkt jij morgen?
Werk jij morgen?
Staat ‘jij’ achter het werkwoord, dan geen -t.
Ik werkt thuis.
Ik werk thuis.
Bij ‘ik’ gebruik je alleen de stam.
Eindquiz
1 / 5Hij … elke dag naar school. (fietsen)
Volgende les · A1
Basiszinsbouw: het werkwoord op plaats 2 →