ED

Easy Dutch Hub

A1 – B2 · Nederlands

A1
← Alle grammatica
A1

De tegenwoordige tijd

🎯 Doel: Je kunt een regelmatig werkwoord in de tegenwoordige tijd vervoegen.

Uitleg

Je begint met de stam: het hele werkwoord min -en. Werken → werk.

Ik = stam. Jij, u, hij, zij, het = stam + t. Wij, jullie, zij = het hele werkwoord.

Let op: komt ‘jij’ of ‘je’ ná het werkwoord (in een vraag), dan valt de -t weg: Werk jij vandaag?

Spelling: soms verandert de stam. Maken → maak (lange klank blijft), zitten → zit (geen dubbele medeklinker aan het eind), leven → leef (v wordt f).

werkenmaken
ikwerkmaak
jij / u / hij / zijwerktmaakt
wij / jullie / zijwerkenmaken

💡 Onregelmatige werkwoorden zoals zijn, hebben, kunnen en willen leer je apart.

✅ Goede voorbeelden

  • Ik werk in een ziekenhuis.
  • Zij woont in Amsterdam.
  • Woon jij hier al lang?
  • Wij maken het eten.

Veelgemaakte fouten

  • Werkt jij morgen?

    Werk jij morgen?

    Staat ‘jij’ achter het werkwoord, dan geen -t.

  • Ik werkt thuis.

    Ik werk thuis.

    Bij ‘ik’ gebruik je alleen de stam.

Eindquiz

1 / 5

Hij … elke dag naar school. (fietsen)

Volgende les · A1

Basiszinsbouw: het werkwoord op plaats 2 →