ED

Easy Dutch Hub

A1 – B2 · Nederlands

A1
← Alle grammatica
A1

Basisvoorzetsels van plaats en tijd

🎯 Doel: Je gebruikt in, op, aan, naar, om en bij in eenvoudige zinnen.

Uitleg

Voorzetsels zijn kleine woorden die een relatie laten zien. Vaak moet je ze samen met het woord leren.

Tijd: om acht uur, op maandag, in mei, in de zomer.

Plaats: in de kamer, op tafel, aan de muur, bij de bakker. Richting: naar huis, naar school.

VoorzetselVoorbeeld
omom half negen
opop dinsdag / op het werk
inin juni / in Leiden
naarnaar de dokter
bijbij mijn moeder

💡 Er zijn veel vaste combinaties (op school, in de stad). Die leer je het best als geheel.

✅ Goede voorbeelden

  • De les begint om negen uur.
  • Ik werk op vrijdag niet.
  • Het schilderij hangt aan de muur.
  • Ik ga naar de supermarkt.

Veelgemaakte fouten

  • Ik ga om huis.

    Ik ga naar huis.

    Voor een richting gebruik je ‘naar’.

Eindquiz

1 / 3

De afspraak is … drie uur.

Volgende les · A2

De voltooide tijd (perfectum) →