Basisvoorzetsels van plaats en tijd
🎯 Doel: Je gebruikt in, op, aan, naar, om en bij in eenvoudige zinnen.
Uitleg
Voorzetsels zijn kleine woorden die een relatie laten zien. Vaak moet je ze samen met het woord leren.
Tijd: om acht uur, op maandag, in mei, in de zomer.
Plaats: in de kamer, op tafel, aan de muur, bij de bakker. Richting: naar huis, naar school.
| Voorzetsel | Voorbeeld |
|---|---|
| om | om half negen |
| op | op dinsdag / op het werk |
| in | in juni / in Leiden |
| naar | naar de dokter |
| bij | bij mijn moeder |
💡 Er zijn veel vaste combinaties (op school, in de stad). Die leer je het best als geheel.
✅ Goede voorbeelden
- De les begint om negen uur.
- Ik werk op vrijdag niet.
- Het schilderij hangt aan de muur.
- Ik ga naar de supermarkt.
Veelgemaakte fouten
Ik ga om huis.
Ik ga naar huis.
Voor een richting gebruik je ‘naar’.
Eindquiz
1 / 3De afspraak is … drie uur.
Volgende les · A2
De voltooide tijd (perfectum) →