ED

Easy Dutch Hub

A1 – B2 · Nederlands

A1

Gezegden

Zeg het zoals Nederlanders het zeggen

221 uitdrukkingen die je hoort op het werk, in het nieuws en aan de keukentafel.

221 uitdrukkingen gevonden

GezegdenB1

“Wie A zegt, moet ook B zeggen.”

Als je aan iets begint, moet je het ook afmaken of de gevolgen aanvaarden.

In for a penny, in for a pound.

GezegdenB1

“Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.”

Het is beter om iets zeker te hebben dan te wachten op iets beters dat je misschien niet krijgt.

A bird in the hand is worth two in the bush.

GezegdenB2

“Wie kaatst, moet de bal verwachten.”

Als je iemand uitdaagt of aanvalt, moet je een reactie terugverwachten.

What goes around comes around.

GezegdenB1

“Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel.”

Als er niemand toezicht houdt, doen mensen wat ze willen.

When the cat's away, the mice will play.

GezegdenB2

“Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen.”

Een verstandig mens maakt dezelfde fout niet twee keer.

Once bitten, twice shy.

GezegdenB2

“Als het kalf verdronken is, dempt men de put.”

Pas maatregelen nemen nadat er al iets ergs is gebeurd.

Closing the barn door after the horse has bolted.

GezegdenA2

“Veel handen maken licht werk.”

Als meerdere mensen samen helpen, is een taak minder zwaar.

Many hands make light work.

GezegdenA2

“Oost west, thuis best.”

Hoe mooi het ook elders is, thuis is het het fijnst.

There's no place like home.

GezegdenB1

“Wie het laatst lacht, lacht het best.”

Uiteindelijk wint degene die geduld heeft, ook al lijkt het eerst anders.

He who laughs last, laughs longest.

GezegdenB2

“Als twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen.”

Als twee partijen ruzie maken, profiteert een derde partij ervan.

Two dogs fighting over a bone, a third runs off with it.

GezegdenA2

“Wie niet waagt, die niet wint.”

Zonder risico te nemen, kun je niets bereiken.

Nothing ventured, nothing gained.

GezegdenB2

“De lachende derde zijn.”

Voordeel halen uit een conflict tussen anderen.

To be the one who benefits while others fight.

GezegdenB2

“Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.”

Het is beter om op tijd te stoppen met een verkeerde weg dan door te gaan tot het einde.

Better to turn back halfway than to go all the way in the wrong direction.

GezegdenB1

“Zoveel hoofden, zoveel zinnen.”

Iedereen heeft een andere mening.

So many men, so many minds.

GezegdenA2

“Al doende leert men.”

Je leert het beste door iets echt te doen, niet alleen door erover te lezen.

Practice makes perfect.

GezegdenA2

“Oefening baart kunst.”

Door veel te oefenen, word je ergens goed in.

Practice makes perfect.

GezegdenB1

“Wat de boer niet kent, dat vreet hij niet.”

Mensen zijn wantrouwig tegenover dingen die ze niet kennen, zoals onbekend eten.

People are wary of what they don't know.

GezegdenB1

“Onbekend maakt onbemind.”

Mensen houden minder van dingen of personen die ze niet kennen.

Unfamiliarity breeds dislike.

GezegdenA2

“Een goed begin is het halve werk.”

Als je ergens goed aan begint, is de rest makkelijker.

Well begun is half done.

GezegdenA2

“Eind goed, al goed.”

Als iets uiteindelijk goed afloopt, maakt het minder uit dat het onderweg moeilijk was.

All's well that ends well.

GezegdenA2

“Geen nieuws is goed nieuws.”

Als je niets hoort, is er waarschijnlijk niets ergs gebeurd.

No news is good news.

GezegdenB2

“Schoenmaker, blijf bij je leest.”

Houd je bezig met wat je goed kunt, en bemoei je niet met andere zaken.

Stick to what you know.

GezegdenB2

“De schaapjes op het droge hebben.”

Financieel veilig zijn, geen zorgen meer hebben over geld.

To have made one's fortune / be financially secure.

GezegdenA2

“Voor een appel en een ei.”

Voor heel weinig geld.

For next to nothing.

GezegdenA2

“Geld groeit niet aan bomen.”

Geld is niet gemakkelijk of gratis te krijgen.

Money doesn't grow on trees.

GezegdenA2

“Beter laat dan nooit.”

Het is beter om iets alsnog te doen, ook al is het laat, dan het helemaal niet te doen.

Better late than never.

GezegdenB2

“Stille wateren hebben diepe gronden.”

Rustige mensen hebben vaak meer verborgen kwaliteiten of gedachten dan je zou denken.

Still waters run deep.

GezegdenB2

“Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje.”

Als je uit een arme omgeving komt, kun je moeilijk heel rijk of belangrijk worden.

You can't escape your background.

GezegdenB1

“Het regent nooit, maar het stort.”

Problemen komen vaak allemaal tegelijk.

It never rains but it pours.

GezegdenB1

“Een ongeluk komt zelden alleen.”

Als er iets vervelends gebeurt, volgt er vaak nog iets vervelends.

Misfortunes never come singly.

GezegdenB2

“Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op de neus.”

Als je te hebzuchtig bent en te veel wilt, loopt het uiteindelijk verkeerd af.

Greed doesn't pay.

GezegdenB2

“Iemand de put in jagen.”

Iemand heel erg verdrietig of depressief maken.

To send someone into a depression.

GezegdenB1

“Van de regen in de drup komen.”

Van een slechte situatie in een nog slechtere situatie terechtkomen.

Out of the frying pan into the fire.

GezegdenB2

“De hond in de pot vinden.”

Thuiskomen terwijl het eten al op is.

To come home to find dinner already eaten.

GezegdenB1

“Boontje komt om zijn loontje.”

Slecht gedrag wordt uiteindelijk bestraft.

You get your just deserts.

GezegdenB1

“Wat je zaait, zul je oogsten.”

Je gedrag heeft altijd gevolgen, goed of slecht.

You reap what you sow.

GezegdenB1

“Leugens hebben korte benen.”

Leugens komen meestal snel uit.

Lies have short legs / lies don't get you far.

Informeel NederlandsB1

“In de olie zijn.”

Heel dronken zijn.

To be plastered / very drunk.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Ergens geen zin in hebben.”

Geen motivatie of energie hebben om iets te doen.

Not to feel like doing something.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Het maakt me niks uit.”

Ik heb geen voorkeur, het is voor mij niet belangrijk.

I don't care / it doesn't matter to me.

Informeel NederlandsB1

“Het zal mij worst wezen.”

Het interesseert mij helemaal niet.

I couldn't care less.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Geen idee hebben.”

Iets niet weten.

To have no idea.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Geen flauw benul hebben.”

Absoluut niets weten over iets.

To have not the slightest clue.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“De tijd vliegt.”

De tijd gaat heel snel voorbij.

Time flies.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Op tijd komen.”

Precies op het afgesproken moment aankomen.

To be on time.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Je tijd verdoen.”

Tijd verspillen aan iets nutteloos.

To waste your time.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Ergens de tijd voor nemen.”

Iets rustig en zonder haast doen.

To take your time with something.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Een oogje in het zeil houden.”

Voorzichtig op iets of iemand letten.

To keep an eye on things.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“De koe bij de horens vatten.”

Een moeilijk probleem direct en moedig aanpakken.

To take the bull by the horns.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Iets onder de knie krijgen.”

Iets leren beheersen na oefening.

To get the hang of something.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“De draad kwijtraken.”

Niet meer weten waar je in een verhaal of gesprek was gebleven.

To lose your train of thought.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“De draad weer oppakken.”

Verdergaan met iets waar je mee gestopt was.

To pick up where you left off.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Het hoofd koel houden.”

Kalm en verstandig blijven in een stressvolle situatie.

To keep a cool head.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“In paniek raken.”

Plotseling erg bang of gestrest worden.

To panic.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Op eieren lopen.”

Heel voorzichtig zijn omdat de situatie gevoelig is.

To walk on eggshells.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Een lange adem hebben.”

Geduld hebben en lang kunnen volhouden.

To have staying power / patience for the long haul.

GesprekB1

“De moed verliezen.”

Geen hoop of energie meer hebben om door te gaan.

To lose heart.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Iets de kop indrukken.”

Een probleem meteen stoppen voordat het groter wordt.

To nip something in the bud.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“De handen uit de mouwen steken.”

Actief aan de slag gaan en hard werken.

To roll up your sleeves.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Een punt achter iets zetten.”

Iets definitief afsluiten of beëindigen.

To put an end to something.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Op eigen benen staan.”

Zelfstandig zijn, zonder hulp van anderen.

To stand on your own two feet.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Iets uit je hoofd zetten.”

Proberen niet meer aan iets te denken.

To put something out of your mind.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Het in de gaten houden.”

Iets goed opletten en controleren.

To keep an eye on it.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“De draak steken met iets.”

Op een grappige, spottende manier over iets praten.

To poke fun at something.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Iets op zijn beloop laten.”

Niet ingrijpen en de situatie zichzelf laten oplossen.

To let something take its course.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“In het oog springen.”

Meteen opvallen.

To catch the eye / stand out.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Geen blad voor de mond nemen.”

Eerlijk en direct zeggen wat je vindt, zonder het mooier te maken.

To not mince words.

Informeel NederlandsB1

“Recht voor zijn raap zijn.”

Zonder omwegen eerlijk en direct zeggen wat je denkt.

To be blunt / straightforward.

Informeel NederlandsB1

“Met de benen op tafel zitten.”

Heel ontspannen en relaxed zijn.

To be totally relaxed / kick back.

Informeel NederlandsB1

“Lekker belangrijk!”

Dat is helemaal niet belangrijk (sarcastisch gezegd).

Big deal! / Who cares!

Informeel NederlandsA2

“Doe normaal!”

Gedraag je normaal, overdrijf niet.

Come on, be reasonable! / Act normal!

Informeel NederlandsB1

“Geen kaas van iets gegeten hebben.”

Geen verstand van iets hebben.

To know nothing about something.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Aan zijn lot overgelaten zijn.”

Alleen gelaten worden zonder hulp in een moeilijke situatie.

To be left to one's own devices.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Iemand in de kou laten staan.”

Iemand niet helpen terwijl hij hulp nodig heeft.

To leave someone out in the cold.

Nederlandse cultuurA2

“Zullen we een bakkie doen?”

Zullen we samen koffie drinken en gezellig kletsen?

Shall we grab a coffee?

Nederlandse cultuurB1

“Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.”

Nederlandse waarde: je hoeft niet op te vallen of pronken, gewoon doen is al genoeg.

Just act normal, that's crazy enough already.

Nederlandse cultuurA2

“Nederlanders zijn direct.”

Nederlanders zeggen vaak snel en zonder omwegen wat ze denken.

The Dutch are direct.

Nederlandse cultuurA2

“Ieder zijn eigen deel betalen.”

Als je samen uit eten gaat, betaalt iedereen zijn eigen rekening.

Going Dutch.

Nederlandse cultuurA2

“Wat gezellig!”

Een fijne, warme, sociale sfeer, typisch Nederlands begrip.

How nice and cozy!

Nederlandse cultuurA2

“De fiets pakken.”

Ergens naartoe fietsen in plaats van de auto of bus nemen.

To hop on the bike.

Nederlandse cultuurA2

“Koningsdag vieren.”

Het jaarlijkse Nederlandse feest op 27 april, met oranje kleding en vrijmarkten.

To celebrate King's Day.

Nederlandse cultuurA2

“Een afspraak is een afspraak.”

Als je iets hebt afgesproken, moet je je daaraan houden.

A deal's a deal.

Nederlandse cultuurA2

“Sinterklaas vieren.”

Het Nederlandse feest op 5 december met cadeautjes en gedichten.

To celebrate Sinterklaas.

Nederlandse cultuurB1

“Zuinig zijn op iets.”

Voorzichtig omgaan met geld of spullen, niet verspillen.

To be careful/thrifty with something.

Nederlandse cultuurB2

“Iets gedogen.”

Iets officieel niet toestaan, maar het toch stilzwijgend accepteren.

To tolerate something unofficially.

Nederlandse cultuurB2

“Het poldermodel toepassen.”

Beslissingen nemen door overleg en compromis tussen verschillende groepen.

The Dutch consensus model.

Nederlandse cultuurA2

“Trakteren op je verjaardag.”

Op je eigen verjaardag iets lekkers meenemen voor collega's of klasgenoten.

To treat colleagues/classmates on your own birthday.

Nederlandse cultuurB1

“Iets ruim van tevoren plannen.”

Nederlanders houden ervan om afspraken lang van tevoren te maken.

To plan things well in advance.

Nederlandse cultuurA2

“Gaan borrelen.”

Na het werk samen iets drinken en gezellig kletsen.

To go for drinks after work.

GezegdenB1

“Je eigen boontjes doppen.”

Zelf je problemen oplossen zonder hulp van anderen.

To fend for yourself.

GezegdenB1

“Een appeltje met iemand te schillen hebben.”

Nog een probleem of ruzie met iemand moeten uitpraten.

To have a bone to pick with someone.

GezegdenB2

“Van een koude kermis thuiskomen.”

Erg teleurgesteld worden omdat iets tegenvalt.

To come away badly disappointed.

GezegdenB1

“De kat uit de boom kijken.”

Afwachten en voorzichtig kijken hoe iets zich ontwikkelt voor je iets doet.

To wait and see.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Zo goed als nieuw.”

Iets is bijna weer helemaal in perfecte staat, ondanks eerder gebruik of schade.

As good as new.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Het lukt wel.”

Het zal wel goed komen, ondanks moeilijkheden.

It'll work out.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Het komt wel goed.”

Alles zal uiteindelijk in orde komen.

Everything will be fine.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Iemand een hart onder de riem steken.”

Iemand bemoedigen of troosten in een moeilijke tijd.

To give someone encouragement.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Je mond voorbijpraten.”

Per ongeluk iets zeggen dat geheim had moeten blijven.

To let something slip.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“De lakens uitdelen.”

De baas zijn en beslissingen nemen.

To call the shots.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“De touwtjes in handen hebben.”

De controle hebben over een situatie of organisatie.

To be in control / pull the strings.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Iets door de vingers zien.”

Een fout bewust niet bestraffen of negeren.

To turn a blind eye to something.

Dagelijkse uitdrukkingenA2

“Even bijkomen.”

Even rusten na een inspannende activiteit.

To catch your breath / take a break.

Informeel NederlandsA2

“Moe als een hond zijn.”

Heel erg moe zijn.

To be dog-tired.

Informeel NederlandsA2

“Een eitje zijn.”

Heel makkelijk zijn.

To be a piece of cake.

Informeel NederlandsA2

“Kinderspel zijn.”

Heel gemakkelijk zijn om te doen.

To be child's play.

Informeel NederlandsA2

“Een geintje maken.”

Een grapje maken.

To crack a joke.

Informeel NederlandsA2

“Ergens niks van snappen.”

Iets helemaal niet begrijpen.

To not understand something at all.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Er geen touw aan vast kunnen knopen.”

Iets helemaal niet kunnen begrijpen, het is te verward.

To not be able to make heads or tails of it.

Informeel NederlandsA2

“Chill doen.”

Rustig en ontspannen blijven.

To chill out / stay relaxed.

Informeel NederlandsA2

“Hartstikke leuk!”

Heel erg leuk.

Really/super fun!

Informeel NederlandsB1

“Loeidruk zijn.”

Heel erg druk zijn.

To be super busy.

Informeel NederlandsB1

“Je uit de naad werken.”

Heel hard werken, tot uitputting toe.

To work your butt off.

Informeel NederlandsB2

“Op je flikker krijgen.”

Een uitbrander of straf krijgen.

To get chewed out.

Informeel NederlandsB1

“Geen drol doen.”

Helemaal niets doen.

To do absolutely nothing.

Informeel NederlandsB2

“Zeikerig doen.”

Vervelend en zeurderig gedrag vertonen.

To act whiny/annoying.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Je tanden op elkaar zetten.”

Doorzetten ondanks pijn of moeite, zonder klagen.

To grit your teeth.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Het ijs breken.”

De spanning of ongemakkelijke sfeer in een groep wegnemen.

To break the ice.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Je neus ophalen voor iets.”

Iets minachten of afkeuren, het beneden je waardigheid vinden.

To turn your nose up at something.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Op je hoede zijn.”

Voorzichtig en alert zijn omdat er gevaar kan zijn.

To be on your guard.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“De vinger op de zere plek leggen.”

Precies het echte probleem benoemen.

To hit the nail on the head / touch a sore spot.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“De spijker op zijn kop slaan.”

Precies het juiste zeggen of raden.

To hit the nail on the head.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Zich ergens doorheen slaan.”

Een moeilijke periode overleven, ondanks problemen.

To get through something / muddle through.

GezegdenB2

“Op zijn elf en dertigst.”

Heel langzaam en overdreven zorgvuldig, bijna vervelend traag.

Extremely slowly and meticulously.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Van de hak op de tak springen.”

Zonder duidelijke volgorde van het ene onderwerp naar het andere overgaan.

To jump from one topic to another.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Iets in de wacht slepen.”

Iets winnen of binnenhalen, bijvoorbeeld een prijs of opdracht.

To land / bag something.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“Zich ergens bij neerleggen.”

Een situatie accepteren, ook al vind je het niet leuk.

To come to terms with / accept something.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Het heft in handen nemen.”

Zelf de leiding nemen om een situatie op te lossen.

To take charge / take matters into your own hands.

Dagelijkse uitdrukkingenB2

“Een vinger in de pap hebben.”

Invloed hebben op een beslissing of proces.

To have a say in something.

GezegdenB2

“Op grote voet leven.”

Veel geld uitgeven en luxueus leven.

To live large / live beyond your means.

Dagelijkse uitdrukkingenB1

“De broekriem aanhalen.”

Minder geld uitgeven, bezuinigen.

To tighten one's belt.

Informeel NederlandsB2

“De koek is op.”

Er is niets meer over, het geduld of geld is op.

The party's over / there's nothing left.

Werk & carrièreB1

“Een punt achter iets zetten.”

Iets officieel afsluiten of beëindigen.

To put an end to something.

Werk & carrièreB1

“De kar trekken.”

Het meeste werk doen of de leiding nemen in een team.

To pull the weight, to lead the effort.

Werk & carrièreB2

“Op de blaren zitten.”

De negatieve gevolgen van je eigen fout moeten dragen.

To face the consequences of your own actions.

Werk & carrièreB2

“Een hoge pet ophebben van iemand.”

Veel respect of waardering hebben voor iemand.

To think highly of someone.

Werk & carrièreB1

“Iemand in het diepe gooien.”

Iemand direct met verantwoordelijkheid laten beginnen, zonder voorbereiding.

To throw someone in at the deep end.

Werk & carrièreB1

“De puntjes op de i zetten.”

Iets tot in de laatste details afmaken of controleren.

To dot the i's and cross the t's.

Werk & carrièreB2

“Iemand voor het blok zetten.”

Iemand dwingen om snel een beslissing te nemen.

To put someone on the spot.

Werk & carrièreB1

“De lat hoog leggen.”

Hoge eisen of doelen stellen.

To set the bar high.

Werk & carrièreB1

“Een appeltje voor de dorst bewaren.”

Geld of iets anders opzij zetten voor moeilijkere tijden.

To save something for a rainy day.

Werk & carrièreB1

“Op de zaak passen.”

Verantwoordelijkheid nemen voor een bedrijf of winkel tijdens afwezigheid van de eigenaar.

To mind the shop/business.

Werk & carrièreB1

“De boot missen.”

Een kans niet grijpen en daardoor te laat zijn.

To miss the boat.

Werk & carrièreB2

“Achter de feiten aanlopen.”

Te laat reageren op ontwikkelingen die al gebeurd zijn.

To be behind the curve.

Werk & carrièreB1

“De rode draad.”

Het hoofdthema of terugkerend element in een verhaal of project.

The common thread.

Werk & carrièreB2

“Een schot voor de boeg.”

Een waarschuwing of duidelijk signaal geven.

A warning shot.

Werk & carrièreB2

“De teugels in handen nemen.”

De controle of leiding overnemen.

To take the reins.

Werk & carrièreB2

“Iets in de week leggen.”

Een idee alvast bij iemand introduceren zodat het kan wennen.

To plant a seed / to float an idea.

Werk & carrièreB1

“Op de winkel passen.”

Zorgen dat alles normaal doorgaat terwijl anderen weg zijn.

To keep things running / mind the store.

Werk & carrièreB1

“Alles uit de kast halen.”

Al je kennis, energie en middelen inzetten om iets te bereiken.

To pull out all the stops.

Werk & carrièreB1

“Iets op poten zetten.”

Iets organiseren en opzetten van de grond af aan.

To set something up.

Werk & carrièreB1

“De buikriem aanhalen.”

Minder geld uitgeven omdat het financieel moeilijk is.

To tighten your belt.

Werk & carrièreB2

“Iemand uit het veld slaan.”

Iemand verrassen op een manier die hem of haar in de war brengt.

To throw someone off balance.

GevoelensA2

“In de wolken zijn.”

Heel erg blij en enthousiast zijn.

To be over the moon.

GevoelensB1

“Door de grond willen zakken.”

Je enorm schamen voor iets dat gebeurd is.

To wish the ground would swallow you up.

GevoelensB2

“Het hart op de tong hebben.”

Direct zeggen wat je voelt of denkt, zonder terughoudendheid.

To wear your heart on your sleeve.

GevoelensB1

“Als een berg tegen iets opzien.”

Heel erg opzien tegen iets, angstig of gestrest zijn vooraf.

To dread something.

GevoelensB1

“Geen vuiltje aan de lucht.”

Alles is rustig en zonder problemen.

Nothing but blue skies / all is well.

GevoelensB2

“Op je tenen lopen.”

Erg voorzichtig zijn om iemand niet te storen of boos te maken.

To walk on eggshells.

GevoelensB1

“Een brok in de keel hebben.”

Zo geroerd zijn dat je bijna moet huilen.

To have a lump in your throat.

GevoelensA2

“De kriebels van iets krijgen.”

Ergens erg zenuwachtig of ongemakkelijk van worden.

To get the jitters / creeps.

GevoelensB1

“Het zit me hoog.”

Je bent erg boos of gefrustreerd over iets.

It really bothers/upsets me.

GevoelensA2

“Zich rot voelen.”

Je heel slecht of verdrietig voelen.

To feel awful.

GevoelensB1

“Als een blok voor iemand vallen.”

Meteen heel verliefd worden op iemand.

To fall head over heels for someone.

GevoelensB1

“Het koud krijgen van iets.”

Ergens erg van schrikken of onaangenaam door geraakt worden.

To be chilled by something / it gives you the shivers.

GevoelensB2

“Zich de haren uit het hoofd trekken.”

Erg gefrustreerd of wanhopig zijn.

To pull your hair out.

GevoelensB1

“Je hart luchten.”

Vertellen wat je dwarszit om je opgelucht te voelen.

To get something off your chest.

GevoelensA2

“Een goed gevoel aan iets overhouden.”

Achteraf tevreden of blij zijn over hoe iets is verlopen.

To feel good about something afterwards.

GevoelensB2

“Zenuwachtig als een kat in een vreemd pakhuis.”

Erg nerveus en onrustig zijn in een onbekende situatie.

As nervous as a cat in a strange place.

GevoelensB2

“Geen hond horen blaffen naar iets.”

Je maakt je totaal geen zorgen om iets.

Not to care a bit about something.

GevoelensB1

“Zich een ongeluk schrikken.”

Heel erg schrikken van iets.

To get the fright of your life.

GevoelensB1

“Op wolk zeven zweven.”

Heel gelukkig en verliefd zijn.

To be on cloud nine.

GevoelensA2

“Kriebels in je buik hebben.”

Opgewonden of zenuwachtig zijn omdat je iets leuks verwacht.

To have butterflies in your stomach.

RelatiesB1

“Voor elkaar door het vuur gaan.”

Bereid zijn om alles voor elkaar te doen; heel loyaal zijn.

To go through fire for each other.

RelatiesB1

“Door dik en dun gaan met iemand.”

Iemand in goede en slechte tijden trouw blijven steunen.

To stick with someone through thick and thin.

RelatiesA2

“Het weer goedmaken.”

Na een ruzie de relatie herstellen en het weer vriendschappelijk maken.

To make up (after a fight).

RelatiesB1

“Het bijleggen met iemand.”

Een ruzie of conflict oplossen en weer vrienden worden.

To bury the hatchet.

RelatiesB1

“Op goede voet staan met iemand.”

Een goede, vriendschappelijke verstandhouding hebben met iemand.

To be on good terms with someone.

RelatiesB2

“Elkaar in de haren vliegen.”

Met elkaar ruzie krijgen.

To be at each other's throats.

RelatiesB1

“De koppen bij elkaar steken.”

Samen overleggen om een oplossing te vinden.

To put your heads together.

RelatiesA2

“Een oogje hebben op iemand.”

Verliefd zijn of interesse hebben in iemand.

To have a crush on someone / to have your eye on someone.

RelatiesB1

“Op een lijn zitten met iemand.”

Het met iemand eens zijn, dezelfde mening hebben.

To be on the same page as someone.

RelatiesB2

“Iemand de rug toekeren.”

Het contact met iemand verbreken, iemand in de steek laten.

To turn your back on someone.

RelatiesB1

“Iemand laten vallen.”

Het contact met iemand stopzetten, vaak plotseling.

To drop someone.

RelatiesA2

“Het klikt tussen ons.”

Twee mensen kunnen goed met elkaar overweg en voelen zich meteen op hun gemak.

There's a spark / connection between us.

RelatiesB2

“Een appeltje met iemand te schillen hebben.”

Nog iets te bespreken of uit te praten hebben over een conflict.

To have a bone to pick with someone.

RelatiesB2

“Met elkaar door één deur kunnen.”

Goed met elkaar kunnen samenwerken of samenleven.

To get along well with each other.

RelatiesB2

“Iemand op handen dragen.”

Heel veel van iemand houden en die persoon verwennen.

To worship the ground someone walks on.

RelatiesB2

“Elkaar de hand reiken.”

Een gebaar maken om een conflict op te lossen of vrede te sluiten.

To extend a hand of reconciliation.

RelatiesA2

“Een band opbouwen met iemand.”

Geleidelijk een hechte relatie ontwikkelen met iemand.

To build a bond with someone.

RelatiesB1

“Elkaar loslaten.”

Afstand nemen van elkaar, vaak na het einde van een relatie.

To let each other go.

RelatiesB2

“Op elkaar ingespeeld zijn.”

Zo goed samenwerken dat je elkaar bijna zonder woorden begrijpt.

To be in sync with each other.

Handige zinnenA1

“Kunt u dat herhalen?”

Je vraagt beleefd of iemand iets nog een keer wil zeggen.

Could you repeat that?

Handige zinnenA1

“Ik begrijp het niet helemaal.”

Je geeft aan dat iets niet volledig duidelijk is voor je.

I don't quite understand.

Handige zinnenA1

“Zou u me kunnen helpen?”

Een beleefde manier om iemand om hulp te vragen.

Could you help me?

Handige zinnenA1

“Kunt u wat langzamer praten?”

Je vraagt iemand om trager te spreken zodat je het beter kunt volgen.

Could you speak a bit more slowly?

Handige zinnenA1

“Wat betekent dit woord?”

Je vraagt naar de betekenis van een onbekend woord.

What does this word mean?

Handige zinnenA1

“Hoe schrijf je dat?”

Je vraagt hoe een woord of naam gespeld wordt.

How do you spell that?

Handige zinnenA1

“Sorry, ik versta u niet.”

Je geeft beleefd aan dat je iemand niet begrijpt.

Sorry, I don't understand you.

Handige zinnenA1

“Kunt u dat opschrijven?”

Je vraagt of iemand iets kan opschrijven zodat je het later kunt lezen.

Could you write that down?

Handige zinnenA1

“Waar kan ik dit vinden?”

Je vraagt naar de locatie van iets.

Where can I find this?

Handige zinnenA1

“Hoe laat is het?”

Je vraagt naar de huidige tijd.

What time is it?

Handige zinnenA1

“Hoeveel kost dit?”

Je vraagt naar de prijs van iets.

How much does this cost?

Handige zinnenA1

“Mag ik u iets vragen?”

Een beleefde manier om aan te kondigen dat je een vraag hebt.

May I ask you something?

Handige zinnenA1

“Ik heb een afspraak.”

Je vertelt dat je een geplande afspraak hebt.

I have an appointment.

Handige zinnenA2

“Kunt u me de weg wijzen naar...?”

Je vraagt om routebeschrijving naar een plaats.

Could you show me the way to...?

Handige zinnenA2

“Ik wil graag een tafel reserveren.”

Je vraagt om vooraf een plaats te reserveren, bijvoorbeeld in een restaurant.

I would like to make a reservation.

Handige zinnenA2

“Wat raadt u aan?”

Je vraagt om een advies of aanbeveling.

What do you recommend?

Handige zinnenA1

“Kan ik met kaart betalen?”

Je vraagt of pinnen mogelijk is bij een aankoop.

Can I pay by card?

Handige zinnenA1

“Ik heb een vraag over...”

Een neutrale manier om een gesprek te beginnen als je iets wilt vragen.

I have a question about...

Handige zinnenA2

“Kunt u dit voor me vertalen?”

Je vraagt of iemand een tekst of woord kan vertalen.

Could you translate this for me?

Handige zinnenA1

“Ik voel me niet lekker.”

Je geeft aan dat je je ziek of onwel voelt.

I don't feel well.

Handige zinnenA1

“Waar is het toilet?”

Je vraagt naar de locatie van het toilet.

Where is the toilet?

Handige zinnenA1

“Kunt u de rekening brengen, alstublieft?”

Je vraagt in een restaurant om de rekening.

Could you bring the bill, please?

Handige zinnenA1

“Ik ben op zoek naar...”

Je vertelt wat je zoekt, bijvoorbeeld in een winkel.

I am looking for...

Handige zinnenB1

“Kunt u me doorverbinden met...?”

Je vraagt om aan de telefoon met een andere persoon of afdeling verbonden te worden.

Could you put me through to...?

Handige zinnenA2

“Neem me niet kwalijk.”

Een formele manier om je excuses aan te bieden of iemands aandacht te vragen.

Excuse me / I beg your pardon.

Handige zinnenA1

“Graag gedaan.”

Een beleefde reactie als iemand je bedankt.

You're welcome.

Handige zinnenB1

“Tot uw dienst.”

Een formele, beleefde manier om aan te geven dat je bereid bent te helpen.

At your service.

Handige zinnenA2

“Kunt u me een moment geven?”

Je vraagt om even te wachten voordat je verdergaat.

Could you give me a moment?

Handige zinnenA1

“Hoe werkt dit?”

Je vraagt uitleg over hoe iets functioneert of gebruikt wordt.

How does this work?

Handige zinnenA1

“Ik kom zo terug.”

Je zegt dat je snel weer terug bent.

I'll be right back.