De voltooide tijd (perfectum)
🎯 Doel: Je maakt het perfectum met hebben of zijn en een voltooid deelwoord.
Uitleg
Over het verleden praat je in gesprekken vaak met het perfectum: hebben of zijn + voltooid deelwoord. Ik heb gewerkt.
Regelmatig deelwoord: ge + stam + t of d. Is de laatste letter van de stam een medeklinker uit ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan eindig je op -t: gewerkt. Anders -d: gewoond.
Meestal gebruik je ‘hebben’. ‘Zijn’ gebruik je vooral bij een verandering van plaats of toestand met een duidelijk doel of resultaat (gaan, komen, worden, blijven, sterven) en bij ‘zijn’ zelf.
Het deelwoord staat aan het eind van de zin.
| Hulpwerkwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| hebben | Ik heb gisteren gekookt. |
| zijn | Ik ben gisteren naar de winkel gegaan. |
| zijn | Hij is ziek geworden. |
💡 Bij werkwoorden zoals fietsen of lopen kan het allebei: ‘Ik heb gefietst’ (de activiteit), ‘Ik ben naar huis gefietst’ (met richting).
✅ Goede voorbeelden
- We hebben lang gepraat.
- Zij is in 2019 naar Nederland gekomen.
- Heb je de mail gelezen?
Veelgemaakte fouten
Ik heb gisteren naar de winkel gegaan.
Ik ben gisteren naar de winkel gegaan.
Bij ‘gaan’ gebruik je het hulpwerkwoord ‘zijn’.
Ik heb gewoont in Delft.
Ik heb in Delft gewoond.
De stam ‘woon’ eindigt niet op een kofschip-letter, dus -d. En het deelwoord staat achteraan.
Eindquiz
1 / 4Wij … gisteren naar Utrecht gereden.
Volgende les · A2
Scheidbare werkwoorden →