ED

Easy Dutch Hub

A1 – B2 · Nederlands

A1
← Alle grammatica
B1

Betrekkelijke bijzinnen: die en dat

🎯 Doel: Je geeft extra informatie over een persoon of ding met ‘die’ of ‘dat’.

Uitleg

Met een betrekkelijke bijzin zeg je meer over een woord: de man die naast mij woont.

Bij een de-woord en bij meervoud gebruik je ‘die’. Bij een het-woord (enkelvoud) gebruik je ‘dat’.

Met een voorzetsel: bij personen ‘voorzetsel + wie’ (de collega met wie ik werk), bij dingen ‘waar + voorzetsel’ (de pen waarmee ik schrijf).

Ook hier staat het werkwoord aan het eind.

✅ Goede voorbeelden

  • Het huis dat we gekocht hebben, is oud.
  • De mensen die hier werken, zijn vriendelijk.
  • Dat is de vrouw met wie ik heb gesproken.

Veelgemaakte fouten

  • Het boek die ik lees.

    Het boek dat ik lees.

    ‘Boek’ is een het-woord: dat.

Eindquiz

1 / 3

De trein … om acht uur vertrekt, is vol.

Volgende les · B1

Formeel en informeel taalgebruik →