Betrekkelijke bijzinnen: die en dat
🎯 Doel: Je geeft extra informatie over een persoon of ding met ‘die’ of ‘dat’.
Uitleg
Met een betrekkelijke bijzin zeg je meer over een woord: de man die naast mij woont.
Bij een de-woord en bij meervoud gebruik je ‘die’. Bij een het-woord (enkelvoud) gebruik je ‘dat’.
Met een voorzetsel: bij personen ‘voorzetsel + wie’ (de collega met wie ik werk), bij dingen ‘waar + voorzetsel’ (de pen waarmee ik schrijf).
Ook hier staat het werkwoord aan het eind.
✅ Goede voorbeelden
- Het huis dat we gekocht hebben, is oud.
- De mensen die hier werken, zijn vriendelijk.
- Dat is de vrouw met wie ik heb gesproken.
Veelgemaakte fouten
Het boek die ik lees.
Het boek dat ik lees.
‘Boek’ is een het-woord: dat.
Eindquiz
1 / 3De trein … om acht uur vertrekt, is vol.
Volgende les · B1
Formeel en informeel taalgebruik →