Modale werkwoorden
🎯 Doel: Je gebruikt kunnen, willen, moeten, mogen en zullen met een heel werkwoord.
Uitleg
Een modaal werkwoord zegt iets over mogelijkheid, wens, plicht of toestemming.
Het modale werkwoord staat op plaats 2, het hele werkwoord (infinitief) aan het eind.
‘Moeten’ = het is nodig. ‘Niet hoeven (te)’ = het is niet nodig. ‘Niet mogen’ = het is verboden.
| kunnen | willen | moeten | mogen | |
|---|---|---|---|---|
| ik | kan | wil | moet | mag |
| jij / u / hij | kan / kunt | wil / wilt | moet | mag |
| wij / jullie / zij | kunnen | willen | moeten | mogen |
✅ Goede voorbeelden
- Ik moet morgen vroeg werken.
- Mag ik hier parkeren?
- Wil je iets drinken?
- Je hoeft niet te betalen.
Veelgemaakte fouten
Ik moet niet betalen. (bedoeld: het is niet nodig)
Ik hoef niet te betalen.
Als iets niet nodig is, zeg je ‘niet hoeven te’.
Ik kan zwemmen goed.
Ik kan goed zwemmen.
Het hele werkwoord staat aan het eind.
Eindquiz
1 / 3Het is zondag. Je … niet te werken.
Volgende les · A2
Vergelijken: groter, grootst →