Easy Dutch Hub
A1 – B2 · Nederlands
Woorden over familie, vrienden en de mensen om je heen.
0 van 52 woorden geleerd
0%
/fa·mi·lie·lid/
Iemand die tot je familie hoort.
family member
/broer/
Een mannelijk kind van dezelfde ouders als jij.
brother
/zus/
Een vrouwelijk kind van dezelfde ouders als jij.
sister
/neef/
De zoon van je oom of tante, of de zoon van je broer of zus.
cousin, nephew
/nicht/
De dochter van je oom of tante, of de dochter van je broer of zus.
cousin, niece
/oom/
De broer van je vader of moeder, of de man van je tante.
uncle
/tan·te/
De zus van je vader of moeder, of de vrouw van je oom.
aunt
/o·pa/
De vader van je vader of moeder.
grandfather
/groot·ou·ders/
De ouders van je vader of moeder, dus opa en oma.
grandparents
/klein·kind/
Het kind van je zoon of dochter.
grandchild
/schoon·moe·der/
De moeder van je partner.
mother-in-law
/schoon·va·der/
De vader van je partner.
father-in-law
/schoon·fa·mi·lie/
De familie van je partner, zoals schoonouders en schoonzus.
in-laws
/schoon·zus/
De zus van je partner, of de vrouw van je broer.
sister-in-law
/zwa·ger/
De broer van je partner, of de man van je zus.
brother-in-law
/stief·va·der/
De nieuwe partner van je moeder, die niet je biologische vader is.
stepfather
/stief·moe·der/
De nieuwe partner van je vader, die niet je biologische moeder is.
stepmother
/part·ner/
De persoon met wie je een relatie hebt, getrouwd of niet.
partner
/echt·ge·noot/
De man met wie je getrouwd bent.
husband, spouse
/re·la·tie/
De band die je hebt met je partner, vriend of familielid.
relationship
/ver·liefd/
Sterke, romantische gevoelens voor iemand hebben.
in love
/ver·ke·ring/
Een romantische relatie, vaak gebruikt bij jonge mensen.
relationship, going steady
/trou·wen/
Officieel met iemand een huwelijk aangaan.
to get married
/brui·loft/
Het feest waarop twee mensen trouwen.
wedding
/hu·we·lijk/
De officiële, juridische band tussen twee getrouwde mensen.
marriage
/schei·den/
Het huwelijk officieel beëindigen.
to divorce
/schei·ding/
Het officieel beëindigen van een huwelijk.
divorce
/al·leen·staan·de ou·der/
Een ouder die zonder partner voor de kinderen zorgt.
single parent
/ge·zin/
Ouders en hun kinderen die samen in één huis wonen.
family (household)
/op·voe·den/
Kinderen leren hoe ze zich moeten gedragen en helpen groot worden.
to raise (children)
/op·voe·ding/
De manier waarop een kind geleerd wordt zich te gedragen.
upbringing
/gren·zen stel·len/
Duidelijk maken wat wel en niet mag, vooral bij kinderen.
to set boundaries
/vriend·schap/
De band die je hebt met een vriend of vriendin.
friendship
/af·spraak/
Iets wat je met iemand hebt geregeld om samen te doen of te ontmoeten.
appointment, agreement
/ru·zie/
Een boze discussie tussen twee of meer mensen.
argument, quarrel
/goed·ma·ken/
Nadat je ruzie hebt gehad, weer vrienden worden.
to make up, to reconcile
/con·flict/
Een verschil van mening dat tot spanning of ruzie leidt.
conflict
/ver·ge·ven/
Niet meer boos zijn op iemand voor iets wat hij heeft gedaan.
to forgive
/be·zoek/
Het moment dat je bij iemand langsgaat of iemand bij jou langskomt.
visit
/langs·ko·men/
Even bij iemand op bezoek gaan.
to stop by, to come over
/lo·ge·ren/
Een of meerdere nachten bij iemand anders slapen.
to stay over
/gast·vrij/
Vriendelijk en behulpzaam voor gasten.
hospitable
/uit·no·di·ging/
Een vraag of kaartje waarmee je iemand vraagt om te komen.
invitation
/kop·pel/
Twee mensen die een relatie hebben.
couple
/sa·men·wo·nen/
Als koppel in hetzelfde huis wonen, zonder getrouwd te zijn.
to live together, to cohabit
/steu·nen/
Iemand helpen door er voor hem of haar te zijn, vooral in moeilijke tijden.
to support (emotionally)
/hech·te band/
Een sterke, nauwe relatie met iemand.
close bond
/ver·want/
Familie zijn van iemand, bloedverwantschap hebben.
related
/er·fe·nis/
Geld of spullen die je krijgt van iemand die overleden is.
inheritance
/ou·ders/
Je vader en moeder.
parents
/ver·jaar·dag/
De dag waarop je geboren bent, elk jaar opnieuw.
birthday
/o·ma/
De moeder van je vader of moeder.
grandma