ED

Easy Dutch Hub

A1 – B2 · Nederlands

A1
← Alle woorden
A2Zelfstandig naamwoord

het familielid

/fa·mi·lie·lid/

Nieuw

Betekenis

Iemand die tot je familie hoort.

English

family member

Arabisch · العربية

—

In jouw taal · English

family member

Voorbeeld

“Op de bruiloft waren veel familieleden aanwezig.”Many family members were present at the wedding.

Meer voorbeelden

  • “Zij is een ver familielid van mij.”
  • “Alle familieleden kregen een uitnodiging.”

Wanneer gebruik je dit woord?

Je gebruikt dit woord voor elk lid van je familie, dichtbij of verder weg.

Gerelateerde woorden

Categorie en situatie