Easy Dutch Hub
A1 – B2 · Nederlands
Trein, bus, fiets en auto: onderweg in Nederland.
0 van 71 woorden geleerd
0%
/trein/
Een voertuig op rails dat mensen vervoert.
train
/spoor/
Het rail waar de trein rijdt, aangeduid met een nummer.
platform (track number)
/per·ron/
De verhoogde vloer op een station waar je op de trein wacht.
platform
/kaar·tje/
Een bewijs dat je hebt betaald voor een reis.
ticket
/o·vee·chip·kaart/
Een pasje waarmee je in Nederland met het openbaar vervoer kunt reizen.
public transport smart card
/in·stap·pen/
In een trein, bus of vliegtuig gaan.
to board, get on
/uit·stap·pen/
Een trein, bus of auto verlaten.
to get off
/om·lei·ding/
Een andere route omdat de normale weg dicht is.
diversion, detour
/fiets/
Een voertuig met twee wielen dat je met je benen aandrijft.
bicycle
/band/
Het ronde, rubberen deel om het wiel van een fiets of auto.
tyre
/lek·ke band/
Een band waar lucht uit is gelopen, meestal door een gaatje.
flat tyre
/trap·per/
Het onderdeel van de fiets waar je met je voeten op duwt.
pedal
/stuur/
Het onderdeel waarmee je een fiets of auto bestuurt.
handlebar, steering wheel
/ket·ting/
De metalen schakels die de trappers verbinden met het achterwiel.
chain
/fiet·sen·ma·ker/
Iemand die fietsen repareert of verkoopt.
bike mechanic, bike shop
/au·to/
Een voertuig met vier wielen dat op benzine, diesel of stroom rijdt.
car
/tan·ken/
Benzine, diesel of gas in je auto doen.
to fill up (with fuel)
/tank·sta·ti·on/
Een plek waar je auto kunt tanken.
petrol station
/par·ke·ren/
Je auto ergens neerzetten en laten staan.
to park
/par·keer·plaats/
Een plek waar je je auto mag parkeren.
parking spot, car park
/boe·te/
Een geldstraf omdat je iets tegen de regels hebt gedaan.
fine
/ro·ton·de/
Een rond kruispunt waar je omheen rijdt.
roundabout
/voor·rang/
Het recht om als eerste te mogen rijden bij een kruising.
right of way
/ver·keers·bord/
Een bord langs de weg met regels of informatie voor verkeer.
traffic sign
/ver·keers·re·gel/
Een officiële regel die het verkeer veilig moet houden.
traffic rule
/fie·le/
Een lange rij stilstaand of langzaam rijdend verkeer.
traffic jam
/spits/
De drukke tijd van de dag waarop veel mensen reizen.
rush hour
/snel·weg/
Een brede weg waar je snel en zonder kruispunten kunt rijden.
motorway, highway
/rij·be·wijs/
Een officieel document waarmee je mag autorijden.
driving licence
/rij·e·xa·men/
De test die je moet halen om je rijbewijs te krijgen.
driving test
/rij·den/
Je verplaatsen met een voertuig zoals een auto, fiets of trein.
to drive, to ride
/snel·heid/
Hoe snel iets of iemand beweegt.
speed
/kruis·punt/
De plek waar twee of meer wegen elkaar kruisen.
intersection, crossroads
/ver·keers·licht/
Het licht met rood, oranje en groen dat het verkeer regelt.
traffic light
/af·slag/
Een weg die van de hoofdweg afgaat naar een andere richting.
exit, turn-off
/op·stop·ping/
Een situatie waarin het verkeer vastzit en niet doorrijdt.
traffic congestion
/weg·werk·zaam·he·den/
Reparaties of aanpassingen aan een weg, waardoor het verkeer wordt gehinderd.
roadworks
/au·to·ver·ze·ke·ring/
Een verzekering die schade aan of door je auto vergoedt.
car insurance
/bus/
Een groot voertuig dat veel mensen tegelijk vervoert.
bus
/tram/
Een voertuig op rails dat door de stad rijdt, vaak op straatniveau.
tram
/me·tro/
Een trein die vaak onder de grond door de stad rijdt.
metro, subway
/chauf·feur/
Iemand die een voertuig zoals een bus, taxi of vrachtwagen bestuurt.
driver
/ta·xi/
Een auto met chauffeur die je tegen betaling ergens heen brengt.
taxi
/ver·keers·o·ver·tre·ding/
Iets dat tegen de verkeersregels ingaat.
traffic violation
/voet·gan·ger/
Iemand die te voet gaat, niet op de fiets of in een voertuig.
pedestrian
/ze·bra·pad/
Een gestreept vak op straat waar voetgangers veilig kunnen oversteken.
zebra crossing
/over·ste·ken/
Van de ene kant van de straat naar de andere kant lopen of rijden.
to cross
/trot·toir/
Het pad langs de straat waar voetgangers lopen.
pavement, sidewalk
/fiets·pad/
Een apart pad voor fietsers, gescheiden van de weg voor auto's.
bike path, cycle lane
/na·vi·ga·tie/
Een apparaat of app die je de weg wijst tijdens het rijden.
navigation (system)
/ver·keer/
Alle voertuigen en mensen die zich op een bepaald moment op straat verplaatsen.
traffic
/on·ge·luk/
Een gebeurtenis waarbij iets misgaat, bijvoorbeeld een botsing.
accident
/ki·lo·me·ter·stand/
Het aantal kilometers dat een auto heeft gereden.
mileage
/on·der·houd/
Het regelmatig controleren en repareren van iets, zoals een auto.
maintenance
/ga·ra·ge/
Een bedrijf dat auto's repareert, of een ruimte om een auto te stallen.
garage
/was·straat/
Een plek waar je auto automatisch gewassen wordt.
car wash
/e·lek·tri·sche au·to/
Een auto die op stroom rijdt in plaats van benzine of diesel.
electric car
/laad·paal/
Een paal waar je een elektrische auto aan kunt opladen.
charging station
/op·la·den/
Energie in een batterij doen, bijvoorbeeld van een auto of telefoon.
to charge
/brand·stof/
De stof die een auto nodig heeft om te rijden, zoals benzine of diesel.
fuel
/af·stand hou·den/
Voldoende ruimte laten tussen jouw voertuig en het voertuig voor je.
to keep distance
/ver·keers·vei·lig·heid/
Hoe veilig het verkeer is voor iedereen die eraan deelneemt.
road safety
/aan·rij·ding/
Een botsing tussen twee of meer voertuigen.
collision
/ver·keers·drem·pel/
Een verhoging in de weg om auto's langzamer te laten rijden.
speed bump
/af·zet·ten/
Iemand uit de auto laten stappen op een bepaalde plek.
to drop off
/op·ha·len/
Ergens naartoe gaan om iemand mee te nemen.
to pick up
/aan·komst·tijd/
Het moment waarop iets of iemand aankomt.
arrival time
/ver·trek·tijd/
Het moment waarop een trein, bus of vliegtuig weggaat.
departure time
/ver·tra·ging/
Later aankomen of vertrekken dan gepland.
delay
/over·stap·pen/
Uit de ene trein of bus stappen en in een andere verder reizen.
to change (trains), to switch
/hal·te/
De plek waar de bus of tram stopt zodat je in of uit kunt stappen.
stop (bus/tram)