Easy Dutch Hub
A1 – B2 · Nederlands
Prijzen, kortingen, ruilen en afrekenen.
0 van 45 woorden geleerd
0%
/win·kel/
Een plek waar je spullen kunt kopen.
shop
/win·ke·len/
Naar winkels gaan om spullen te bekijken of te kopen.
to go shopping
/prijs/
Het bedrag dat je moet betalen voor iets.
price
/be·ta·len/
Geld geven voor iets dat je koopt of voor een dienst.
to pay
/af·re·ke·nen/
Betalen voor de producten die je gekozen hebt.
to pay, to check out
/ga·ran·tie/
Een belofte van de winkel dat een product wordt gerepareerd of vervangen als het kapotgaat.
warranty, guarantee
/re·tour/
Het terugsturen van een gekocht product.
return
/re·tour·ne·ren/
Een gekocht product terugsturen naar de winkel.
to return (a product)
/geld te·rug/
Het bedrag dat je hebt betaald, weer ontvangen.
a refund / money back
/klan·ten·ser·vice/
De afdeling van een bedrijf die klanten helpt met vragen of problemen.
customer service
/be·zor·ging/
Het thuisbrengen van een besteld product.
delivery
/be·zor·gen/
Een besteld product naar iemands huis brengen.
to deliver
/pak·ket/
Een verpakt product dat via de post of bezorger wordt gestuurd.
package, parcel
/web·win·kel/
Een winkel waar je via internet kunt bestellen.
online shop
/be·stel·len/
Vragen om iets te kopen en te laten leveren.
to order
/aan·be·ta·ling/
Een deel van het bedrag dat je vooraf betaalt.
down payment, deposit
/kle·ding/
Alle dingen die je aantrekt, zoals broeken, truien en jassen.
clothes, clothing
/maat/
Het formaat van kleding of schoenen dat bij jou past.
size
/pas·sen/
Kleding aandoen om te kijken of het goed zit.
to try on
/pas·ka·mer/
Een kleine ruimte in een winkel waar je kleding kunt passen.
fitting room
/ver·ko·per/
Iemand die in een winkel werkt en klanten helpt.
sales assistant, seller
/klant/
Iemand die iets koopt bij een winkel of bedrijf.
customer
/duur/
Als iets veel geld kost.
expensive
/goed·koop/
Als iets weinig geld kost.
cheap
/af·haal·punt/
Een plek waar je een online bestelling zelf kunt ophalen.
pickup point
/ar·ti·kel/
Een product dat je in een winkel kunt kopen.
item, article
/voor·raad/
De hoeveelheid producten die een winkel op dat moment heeft.
stock
/in de rij staan/
Wachten achter andere mensen tot je aan de beurt bent.
online shop customer service
/prij·zen ver·ge·lij·ken/
Kijken bij verschillende winkels welke het goedkoopst is.
to compare prices
/af·ge·prijsd/
Goedkoper gemaakt dan de originele prijs.
reduced (in price)
/uit·ver·koop/
Een periode waarin een winkel alles goedkoper verkoopt om ruimte te maken.
clearance sale
/ca·deau·bon/
Een bon waarmee je in een winkel iets kunt kopen zonder contant geld.
gift voucher
/be·zorg·tijd/
Het tijdstip waarop een pakket of bestelling wordt geleverd.
delivery time
/ac·tie·voor·waar·den/
De regels die horen bij een aanbieding of actie.
terms and conditions of an offer
/af·ha·len/
Iets zelf gaan ophalen in plaats van het te laten bezorgen.
to pick up
/o·pe·nings·tij·den/
De tijden waarop een winkel open is.
opening hours
/koop·a·vond/
Een avond waarop winkels later open blijven dan normaal.
late-night shopping evening
/bood·schap·pen/
De dingen die je in de supermarkt koopt, vooral eten en drinken.
groceries
/kor·ting/
Een lagere prijs dan normaal.
discount
/aan·bie·ding/
Een product dat tijdelijk goedkoper is.
special offer
/kas·sa/
De plek in een winkel waar je betaalt.
checkout, till
/bon·ne·tje/
Het papiertje met wat je gekocht hebt en wat het kostte.
receipt
/rui·len/
Iets terugbrengen naar de winkel en iets anders meenemen.
to exchange
/pin·nen/
Betalen met je bankkaart.
to pay by debit card
/con·tant/
Met briefjes en munten in plaats van met een kaart.
cash