Easy Dutch Hub
A1 – B2 · Nederlands
Huren, verhuizen en alles in en om het huis.
0 van 60 woorden geleerd
0%
/wo·ning/
Een huis of appartement waar iemand woont.
home, dwelling
/huur·con·tract/
Een document waarin staat onder welke voorwaarden je een woning huurt.
rental agreement
/ver·huur·der/
De persoon of organisatie van wie je een woning huurt.
landlord
/huur·der/
De persoon die een woning huurt en er woont.
tenant
/borg/
Een bedrag dat je bij het begin van de huur betaalt als zekerheid.
deposit
/ver·hui·zen/
Naar een andere woning gaan wonen.
to move house
/ver·huis·do·zen/
Stevige dozen om spullen in te pakken bij een verhuizing.
moving boxes
/bu·ren/
De mensen die naast of onder of boven jou wonen.
neighbours
/buur·man/
De man die naast of dicht bij jou woont.
male neighbour
/e·ner·gie·re·ke·ning/
De rekening voor gas, water en elektriciteit.
energy bill
/e·ner·gie·le·ve·ran·cier/
Het bedrijf dat je gas en stroom levert.
energy supplier
/slaap·ka·mer/
De kamer waarin je slaapt.
bedroom
/woon·ka·mer/
De kamer waar je zit, tv kijkt en tijd doorbrengt.
living room
/bad·ka·mer/
De kamer met de douche, het bad en de wasbak.
bathroom
/zol·der/
De ruimte onder het dak, vaak gebruikt om spullen op te slaan.
attic
/kel·der/
De ruimte onder het huis, vaak koel en donker.
cellar, basement
/tuin/
De buitenruimte bij een huis waar planten of gras groeien.
garden
/ter·ras/
Een verhard gedeelte buiten, bij het huis of bij een café.
patio, terrace
/bal·kon/
Een klein buitengedeelte aan een appartement, hoog boven de grond.
balcony
/meu·bels/
Spullen zoals een tafel, stoel of kast om een huis mee in te richten.
furniture
/bank/
Een groot, zacht meubelstuk om op te zitten met meerdere mensen.
sofa, couch
/kast/
Een meubelstuk met deuren of laden om spullen in op te bergen.
cupboard, wardrobe
/huis·hou·de·lij·ke klus/
Een taak die je regelmatig thuis moet doen, zoals stofzuigen of afwassen.
household chore
/strij·ken/
Kreukels uit kleding halen met een strijkijzer.
to iron
/re·pa·ra·tie/
Het maken van iets kapots, zodat het weer werkt.
repair
/re·pa·re·ren/
Iets dat kapot is weer laten werken.
to repair
/sto·ring/
Een probleem waardoor iets niet goed werkt.
malfunction, breakdown
/mon·teur/
Iemand die apparaten of installaties repareert.
technician, repairman
/af·val schei·den/
Verschillende soorten afval apart weggooien, zoals plastic, papier en gft.
to separate waste
/af·val·con·tai·ner/
Een grote bak waar je afval in gooit.
waste bin, container
/g·f·t/
Groente-, fruit- en tuinafval; afval dat kan composteren.
organic waste
/on·der·huur/
Een woning huren van iemand die zelf ook huurt, niet van de eigenaar.
subletting
/koop·wo·ning/
Een woning die je zelf bezit, in tegenstelling tot een huurwoning.
owner-occupied home
/hy·po·theek/
Een lening bij de bank om een huis te kopen.
mortgage
/ma·ke·laar/
Iemand die bemiddelt bij het kopen, verkopen of verhuren van een woning.
real estate agent
/be·zich·ti·ging/
Het bekijken van een woning voordat je hem huurt of koopt.
viewing (of a property)
/in·rich·ten/
Een woning van meubels en spullen voorzien.
to furnish, to arrange
/ge·luids·o·ver·last/
Hinder door te veel of te hard geluid, meestal van buren.
noise nuisance
/a·dres wij·zi·gen/
Je nieuwe adres officieel doorgeven na een verhuizing.
to change your address
/in·schrij·ven bij de ge·meen·te/
Je officieel registreren op je nieuwe woonadres.
to register with the municipality
/ce·vee-ke·tel/
Het apparaat dat het huis en het water verwarmt.
boiler
/lek·ka·ge/
Water dat ergens naar binnen sijpelt waar dat niet mag.
leak
/flat/
Een gebouw met veel appartementen boven elkaar.
block of flats
/ap·par·te·ment/
Een woning die deel uitmaakt van een gebouw met meerdere woningen.
apartment
/wo·ning·cor·po·ra·tie/
Een organisatie die sociale huurwoningen verhuurt.
housing association
/wacht·lijst/
Een lijst van mensen die wachten op iets, bijvoorbeeld een huurwoning.
waiting list
/huur·toe·slag/
Geld van de overheid om te helpen met de huurkosten.
housing benefit
/op·knap·pen/
Iets, zoals een huis of kamer, mooier of beter maken.
to renovate, to fix up
/ver·bou·wen/
Grote veranderingen aan een huis maken, zoals een muur weghalen.
to renovate, to remodel
/ge·meu·bi·leerd/
Al voorzien van meubels, zoals een bank en een bed.
furnished
/kaal/
Zonder meubels, gordijnen of vloerbedekking.
bare, unfurnished
/ge·zel·lig/
Fijn, warm en aangenaam om te zijn.
cosy, pleasant
/ver·die·ping/
Een laag van een gebouw boven de begane grond.
floor, storey
/vloer/
Het horizontale oppervlak waar je op loopt binnenshuis.
floor
/wa·ter·lei·ding/
De buizen waardoor water door het huis stroomt.
water pipe
/lood·gie·ter/
Iemand die leidingen en kranen repareert of installeert.
plumber
/huur/
Het geld dat je elke maand betaalt voor je woning.
rent
/buurt/
Het gebied waar je woont, met de straten en mensen om je heen.
neighbourhood
/ver·war·ming/
Het systeem dat je huis warm maakt.
heating
/sleu·tel/
Het metalen voorwerp waarmee je een deur open- en dichtdoet.
key