Naar school met de bus
1 min lezen · Openbaar vervoer
Je vindt tijden en plaatsen in een korte tekst.
Nora heeft Nederlandse les op woensdag. De les begint om negen uur. Zij neemt de bus om half negen. De bus is voor de bibliotheek.
Vandaag is Nora vroeg. Ze wacht tien minuten bij de . In de bus zit ze naast een vrouw. De vrouw gaat naar haar werk.
Om tien voor negen stapt Nora uit. Ze loopt vijf minuten naar school. In de klas legt ze haar boek op tafel. Ze is .
Woorden bij de tekst
Begrijp je de tekst?
1 / 3Hoe laat neemt Nora de bus?
Gebruik wat je hebt geleerd
Schrijf hoe jij naar je les of werk gaat.
Verder met schrijven