Easy Dutch Hub
A1 – B2 · Nederlands
In de supermarkt, in het restaurant en aan tafel.
0 van 56 woorden geleerd
0%
/kok/
Iemand die eten klaarmaakt, vaak in een restaurant.
chef, cook
/bak·ken/
Eten klaarmaken in de oven of in een pan met vet of boter.
to bake, to fry
/bra·den/
Vlees of vis langzaam gaar maken in een pan of oven met vet.
to roast, to fry
/gril·len/
Eten klaarmaken boven vuur of op een hete grill.
to grill
/in·gre·di·ënt/
Een van de dingen die je nodig hebt om een gerecht te maken.
ingredient
/krui·den/
Plantjes of poeders die je gebruikt om eten meer smaak te geven.
herbs, spices
/smaak/
Hoe iets proeft, bijvoeld zoet, zuur of zout.
taste, flavor
/zoet/
De smaak van suiker of fruit.
sweet
/zuur/
De smaak van citroen of azijn.
sour
/bit·ter/
Een scherpe, niet-zoete smaak, zoals van koffie zonder suiker.
bitter
/har·tig/
Niet zoet, maar zout of vol smaak, zoals kaas of vlees.
savory
/ge·zond/
Goed voor je lichaam.
healthy
/di·eet/
Een bepaalde manier van eten, vaak om af te vallen of gezonder te leven.
diet
/in·to·le·ran·tie/
Een probleem waarbij je lichaam bepaald eten slecht verdraagt.
intolerance
/ve·ge·ta·risch/
Zonder vlees of vis.
vegetarian
/ve·ga·nis·tisch/
Zonder producten van dieren, dus ook geen melk, eieren of honing.
vegan
/me·nu/
De lijst met gerechten die je in een restaurant kunt bestellen.
menu
/voor·ge·recht/
Het eerste, kleinere gerecht van een maaltijd.
starter, appetizer
/hoofd·ge·recht/
Het grootste en belangrijkste gerecht van de maaltijd.
main course
/toet·je/
Het zoete gerecht aan het einde van de maaltijd.
dessert
/re·ser·ve·ring/
Een afspraak dat er een tafel of plaats voor je klaarstaat.
reservation
/o·ber/
Iemand die in een restaurant het eten en drinken naar de tafel brengt.
waiter
/re·ke·ning/
Het papiertje waarop staat hoeveel je moet betalen.
bill
/fooi/
Extra geld dat je geeft aan de ober als je tevreden bent.
tip
/af·de·ling/
Een deel van de supermarkt met een bepaald soort producten.
department, section
/zui·vel/
Producten gemaakt van melk, zoals kaas, yoghurt en boter.
dairy
/diep·vries/
De afdeling of het apparaat waar bevroren eten bewaard wordt.
freezer, frozen food
/bak·ke·rij/
Een winkel of afdeling waar brood en gebak verkocht worden.
bakery
/vlees·wa·ren/
Gesneden producten van vlees, zoals ham of salami, meestal voor op brood.
cold cuts, deli meats
/maal·tijd/
Het eten dat je op een bepaald moment van de dag eet.
meal
/lunch/
De maaltijd die je rond het middaguur eet.
lunch
/voe·ding/
Alles wat je eet en drinkt, gezien vanuit gezondheid.
nutrition, food
/proe·ven/
Een klein beetje van eten of drinken in je mond nemen om de smaak te ontdekken.
to taste
/op·schep·pen/
Eten op een bord doen om het te serveren.
to serve (food), to dish up
/por·tie/
De hoeveelheid eten die voor één persoon bedoeld is.
portion, serving
/trak·te·ren/
Iets lekkers geven of voor iemand betalen, bijvoorbeeld op een verjaardag.
to treat (someone)
/toost/
Een moment waarop je samen drinkt om iets te vieren.
toast (drink)
/bi·o·lo·gisch/
Zonder kunstmatige stoffen geteeld of gemaakt.
organic
/houd·baar·heids·da·tum/
De datum tot wanneer een product goed te eten of te drinken is.
expiration date
/res·tau·rant/
Een plek waar je tegen betaling eten en drinken krijgt geserveerd.
restaurant
/keu·ken/
De ruimte waar eten wordt klaargemaakt.
kitchen
/hon·ge·rig/
Trek hebben in eten.
hungry
/trek/
Zin hebben om te eten.
appetite
/ver·za·digd/
Genoeg gegeten hebben, geen honger meer.
full, satiated
/eet·lust/
De zin om te eten.
/sma·ke·lijk/
Lekker om te eten.
tasty, enjoy your meal
/ser·vet/
Een doekje of papiertje om je mond en handen af te vegen bij het eten.
napkin
/be·stek/
Mes, vork en lepel samen.
cutlery
/hap·je/
Een klein beetje eten, vaak bij een borrel of feestje.
snack, bite
/bor·rel/
Een gezellig samenzijn waarbij je drinkt, vaak na het werk.
drinks (social gathering)
/keu·ken·ge·rei/
Alle spullen die je gebruikt om te koken, zoals pannen en messen.
kitchen utensils
/be·die·ning/
De manier waarop het personeel je in een restaurant helpt.
service (in a restaurant)
/ont·bijt/
Het eten aan het begin van de dag.
breakfast
/avond·e·ten/
De warme maaltijd aan het einde van de dag.
dinner
/ge·recht/
Eten dat klaargemaakt is, zoals je het op je bord krijgt.
dish
/lek·ker/
Fijn of goed: vooral over eten, maar ook over een gevoel.
tasty, nice